© 2004, Martin Baltes
Mijn eerste reis.

Het was halverwege 1975 dat ik voor het eerst naar zee ging. Ik had een plaatsje als leerling scheepswerktuigkundige gevonden bij Smit Internationale. Meneer de Nijs, als ik mij goed herinner, was de personeelschef en hij had voor me geregeld dat ik in Rotterdam op de Noordzee kon aanmonsteren. De sleepboot lag in de Jobshaven, zei hij, en ik moest me halverwege juni 1975 aan boord melden. Ik had al mijn keuringen doorstaan en alle papieren waren in orde gemaakt, ook mijn eerste paspoort. De ambtenaar van monstering zou aan boord komen om mijn nieuwe en nog lege monsterboekje af te tekenen. Heel spannend allemaal. Ik was die dag met de trein naar Rotterdam gegaan en ging met een taxi naar de Jobshaven.
Ik zou voor een jaar weggaan, dus ik had aardig wat meegenomen en moest dat natuurlijk een heel eind langs de kade naar en in het schip sjouwen. In het schip waren de trappen niet echt gemaakt om grote koffers heen en weer te slepen, natuurlijk, zodat je direct al bijna een rugprobleem had voordat je goed en wel met werken was begonnen!
De kapitein had me een aardig hutje toebedeeld: helemaal voorin, tegen de ankerkettingbak aan, maar dat wist ik toen nog niet. Ik zou het hutje moeten delen met nog een andere leerling, maar we zouden geen last van elkaar hebben, want we liepen verschillende wachten, alleen we gingen nog niet weg en zouden nog een paar dagen blijven repareren en storen, dagwerk dus. Zo kreeg ik een goede rondleiding en kon nog voordat we vertrokken al redelijk de weg vinden
over het scheepje. Alles was natuurlijk nieuw voor me en het zag er allemaal prachtig uit, groot, krachtig, grote motoren met van die rare stangen er boven die op en neer zouden gaan als de motoren zouden draaien; ik was zeer benieuwd hoe dat allemaal in z’n werk zou gaan. Het zou ook de eerste keer zijn, dat ik een echte motor zag en hoorde draaien. Natuurlijk had er een motor gestaan in de machinehal van de school, een Bolnes uit het jaar nul leek het, maar deze was veel groter en sterker! Ik kon bijna niet wachten op het starten van de twee (!) motoren en was enorm verbaasd toen het eindelijk ging gebeuren. Wat een herrie maakten die dingen, zeg! Geen wonder dat men daarvan hardstikke doof kon worden. Men had me op het hart gedrukt toch vooral de gehoorbeschermers te gebruiken en ik heb het altijd volgehouden, maar eigenlijk heeft het niet veel geholpen, al zal mijn gehoor niet zo erg beschadigd zijn als de motorman die altijd zonder bescherming rondliep, maar dat er beschadiging is opgetreden, daaraan hoeft niet getwijfeld te worden.
Het was een fraaie ochtend, toen we opgestart waren en de Jobshaven uitvoeren. Ik kwam ogen te kort, want ik wilde ook zien hoe het er buiten aan toeging terwijl we de rivier afzakten, dus bleef ik op en neer rennen. Machinekamer in en dan weer eruit en naar dek waar de bootsman (Feike Merlijn) zijn mannen aanstuurde en de trossen onderdeks opborg.
Tussen de pieren begon er toch wel wat beweging in de boot te komen en toen we die eenmaal achter ons hadden had de zee vrij spel en ging het schip alle kanten op. En ik ook dus! Want opeens was het toch niet zo leuk meer: ik was gewoon zeeziek. Terwijl de zee opbrieste, wat nog geruime tijd zou aanhouden, werd ik steeds zieker. Alles kwam eruit! Ondertussen had ik de hondenwacht gekregen en zat af en toe belabberd te kijken in de messroom. Ik was dan weer boven, dan weer beneden, maar beneden met die lucht van diesel en olie was het niet te harden en moest ik weer rennen om mijn maag weer wat rust te geven.
Feike zat rustig een biertje te doen in de messroom en sprak mij vaderlijk toe: " Mart, als je gewoon een biertje neemt ben je er zo vanaf". Ik moest er niet aan denken, maar hij pakte een kouwe pot, flipte de dop eraf en gaf hem aan mij. Ik begon te drinken, zetten de pot neer en speerde naar de WC en maakte mijn gepijnigde maag weer helemaal leeg. Belabberd kwam ik weer terug in de messroom. "Als je die pot nou effe leeg maak ben je er vanaf", zei Feike, die zich ook een borrel had ingeschonken en in
zo'n speciale houder aan de rand van de tafel had gezet tegen het slingeren. Dan kon je tenminste één hand vrijhouden en bijvoorbeeld een shaggie draaien. Ik pakte het nog koude biertje beet, zette het aan mijn lippen en schonk het zo leeg in mijn keelsgat. "Burb". Dat zat er goed in en ik had geen haast meer om naar de WC te rennen. Dat rare gevoel in mijn hoofd was ook weg. "Zo", zei ik tegen de boots, "ik lust er nog wel één!" Het zou een paar maanden duren voordat ik weer eens zeeziek zou zijn, voor het laatst.
Waar naar toe?

Terwijl ik de machinekamer aan het uitspitten was, want ik moest natuurlijk alle schema's nalopen en ook uittekenen voor mijn takenboek, begon ik me af te vragen waar we eigenlijk heen gingen. Ik vroeg Floor van de Plas, de derde wtk, dus ook in de hondenwacht, wat de plannen waren. "Naar de Shetland Eilanden", zei hij. Er was geen sleepwerk in de planning en we zouden 'op station' gaan liggen bij de Shetland Eilanden. Bij Lerwick, om preciezer te zijn. Onderweg zat de radio-officier, de 'sparks' uit te luisteren op de noodfrequenties. Als er een schip in nood zou komen zouden wij er als een speer heen varen en onze hulp aanbieden. 'Joppen' noemden we dat, wat zoiets zou moeten betekenen, dat we een job moesten gaan klaren. Het zou extra geld opleveren, vooral als we een 'LOF', een Lloyd's Open Form zouden kunnen krijgen. Het klonk allemaal heel spannend en dat was het ook wel, want af en toe vloog de sparks zijn radiohut in, want dat had hij weer een paar beebjes gehoord die leken op een in nood verkerend schip, want die beebjes kon hij overal op het schip horen; tijdens het eten, tijdens schoot-an, maar ook op dek, als hij even in de zon zat. Volgens mij sliep de man van Radio Holland nooit! Soms zat hij, na zo'n run naar z'n radiohut, met zo;n schip te praten over de korte golf en dan was het echt spannend. Was er nu wel of niet een probleem met dat andere
schip? Het kwam er meestal op neer, dat er helemaal niets aan de hand was, maar het hield de spanning er wel in.

Na een reis met veel hobbels kwamen we bij Lerwick aan en gingen voor de spijker. Dat we daar bijna twee maanden zouden blijven liggen, daarvan hadden we toen nog geen idee. Ik had in ieder geval lekker de tijd om bekend te worden met de machines van het schip en dat ook in mijn takenboek te verwerken, waarbij ik veel hulp kreeg van Floor en Jan, de tweede, maar ook van de hoofdstoker. Ik heb er een paar meegemaakt en meestal waren het prima kerels die me flink hebben geholpen, zoals Meester Herman Houweling en Meester Weber, maar sommigen kon je maar beter uit de buurt blijven, zoals de HWTK die we Whisky Jimmy noemden, en niet voor niets vanzelf, net als sommige kapiteins, maar de meesten waren goed te pruimen. Natuurlijk was ik met mijn onervarenheid ook een makkelijk object voor pesterijtjes, maar die hielden de sfeer erin. En de sfeer was onderling altijd goed geweest.
Terwijl we voor anker lagen werd het schip goed in de verf gezet, van binnen en van buiten, want het was zomer en daarvan moest je profiteren. 's Avonds ging het werkbootje naar de wal en kon je, na wat geld bij de ouwe te hebben gehaald als voorschot op je gage, een paar potten bier gaan halen in de plaatselijke pubs. Er waren er een stuk of drie, maar die Schotten waren niet altijd even vriendelijk. Die ouwe vissers vonden het maar niks dat er van die vreemde snoeshanen in hun pub kwamen en met hun meisjes soms aan de haal gingen. Het liep dan zo nu en dan ook best wel eens op knokken uit, maar ja, daarom zijn zeelui en dan vooral die van de sleepvaart bekend. De dokter moest er zelden aan te pas komen, maar soms was het wel ernstig, want dan hadden die Schotten niet hun handen maar een stuk ijzer gebruikt en dan zagen onze mannen er opeens anders uit.

Eén keer hadden we een matroos meegenomen naar de wal en die had drugs gekregen van een lokale. Dat was niet echt goed terecht gekomen. Laat in de avond moesten we altijd bij
de aanlegsteiger van de werkboot zijn op een bepaalde tijd om weer terug aan boord te kunnen komen. Toen we daar stonden te wachten, in het pikkedonker en in de kou, want het is daar nooit echt warm, tot onze boot zou komen, besloot onze drugsmatroos alvast maar te gaan zwemmen. Er was geen tegenhouden aan, want het was een sterke vent waarmee je geen ruzie zou moeten maken. Hij trok zijn kleren uit en plonsde in het water van pakweg een graad of acht! Weg zwom hij, de duisternis in en we waren hem gauw uit het oog verloren. We vreesden het ergste en toen tien minuten later ons bootje kwam was er geen spoor meer van hem te bekennen. Wij gingen als een speer terug naar de Noordzee en maakten alarm. De zoeklichten gingen aan en Meester Houweling sprong in het bootje om mee te helpen met zoeken. Een stuurman zat aan het roer, vanzelf. Onze drugsmatroos had ondertussen rustig een halfuur gezwommen en normaal gesproken houdt niemand dat vol, maar na een paar keer steken hadden ze de man gelocaliseerd en aan boord van het bootje gehesen. Hij was nog aan het zwemmen geweest, maar was vanzelfsprekend bekaf en onderkoeld, maar nog hadden de drugs de overhand, want nauwelijks zat de man in het bootje en voeren ze terug naar het schip of hij sprong weer overboord en ging weer zwemmen. Weer pakten ze de man op en Meester Houweling, ook geen kleintje, pompte de man neer in het bootje. Zo kwamen ze bij de Noordzee aan en werd hij aan boord gebracht, in onderkoelde toestand, dat kon niet anders, maar ook nog steeds onder invloed van drugs en alcohol. Terug in z'n hut werd de man onder een warme douche gezet (ja, ja, dat is niet goed, maar dat wisten we toen nog niet; bovendien was het een sterke man en hij heeft het gered, dus rustig maar), een schoon pak aangedaan en in zijn kooi gezet, maar daarin wilde hij weer niet blijven. Kennelijk was ik zijn vriend, want hij wilde nog wel naar mij luisteren en ik kon hem weer zijn kooi inpraten. Ik ben een paar uur bij hem gebleven, totdat hij sliep. De volgende ochtend was hij gelukkig weer wakker geworden en had hij flink op z'n lazer gehad, maar hij leefde nog en dat was al een groot wonder.
Een dag of wat later is hij afgevoerd en heb ik hem nooit meer gezien of wat van hem gehoord. Ik weet zelfs zijn naam niet meer, maar misschien is er een lezer die hierover wat meer weet, dan hoor ik dat nog graag en zal dan het verhaal kunnen afmaken.

Een Job !!!

Na bijna twee maanden voor de spijker te hebben gelegen kwam er opeens een job uit de lucht vallen. Het weer was verschrikkelijk, met winden van orkaankracht, 12 Beaufort want hoger gaan ze niet, maar we gingen! Zelfs toen we het oppertje hadden van de eilanden waar we tussen lagen schommelden we al aardig heen en weer, maar nu gingen we naar buiten met volle kracht, want er zou een schip in nood verkeren. Nou dat verbaasde me niets, want volgens mij verkeerden we zelf ook in nood! We gingen, al stampend zoals ik nog nooit had meegemaakt, van boord naar boord, waarbij we minstens 45 graden slagzij maakten. Je kon bijna op het staande werk lopen! Vanaf de controlekamer voor de sleepwinch had je een prachtige gezicht over het achterdek en toen ik eindelijk mijn zeeziekte weer had overwonnen, na anderhalve dag, was ik meestal daar te vinden.
Slapen werd toch niks, want je ging over je kooiplank heen! Prachtige rollers, metershoog kwamen ze over het dek geslagen! Dat er nog schepen in zulk weer wilden varen, dat snapte ik maar niet.
Toen we net buiten de Shetland Eilanden waren kwamen we ook tot de ontdekking dat de deur van de havengenerator nog open stond. Bij dit zeetje kwam er af en toe een golf water in. De havengenerator was veelvuldig gebruikt toen we voor anker lagen, maar door de haast om te joppen was men vergeten de deur, die in de haven voor koeling open stond, dicht te doen. Het werd een vraag van wie er vrijwilliger was om die deur te gaan sluiten en natuurlijk moest de leerling dat maar doen. Dus ik naar de deur aan bakboord zij, nadat ik het zeetje in de gaten had gehouden en ging net na een overslaande golf naar buiten, met een regenjas en een broek ter berscherming tegen het koude water. De vellen waaiden van je bek, zoals we dat noemden, maar in ieder geval moest je wel zorgen, dat je je mond dicht hield anders woeien de tanden eruit, zo hard ging het tekeer.
Bij de deur van de havengenerator aangekomen zag ik dat er een slot op de haak zat en een sleutel had ik niet. Ik weer terug naar de deur en ik was net binnen of er kwam weer een golf overheen zetten. Als ik nog buiten was geweest zou ik minstens doornat en koud zijn geweest. Weer was er een golf water in de havengeneratorkamer gekomen.
Binnen zochten we naar de sleutel. Meester Herman Houweling zei dat hij aan die sleutelbos moest zitten, maar welke het precies was kon niemand me vertellen. Ik moest het maar proberen!
Nou lekker dan! Sta je straks in windkracht oei-oei bij een temperatuur van pakweg 6 graden een sleuteltje uit te zoeken met je kouwe klauwe, terwijl er elk moment een golf over je heen kan spoelen! Vooruit dan maar, want er moest iets gebeuren!
Weer naar buiten en ik hoopte maar dat ik het tussen twee overslaande golven zou kunnen klaren, maar ik was net bij de generatordeur aangekomen toen er een golf zeker vijf meter over me heen sloeg. En ik stond al op het tweede dek! Ik kon me aan de handrailing vasthouden en eigenlijk had ik geen probleem, behalve dan dat het behoorlijk nat en koud was. Het stond te soppen in m'n pendek, dat voelde ik wel!
Ik probeerde twee sleutels, maar die pasten natuurlijk niet. Toen dacht ik: "de groeten voor het zootje", pakte de haak, boog die krom en forceerde de deur dicht met de knevels. Zo die zat dicht, ik kon terug naar binnen, maar juist op dat moment besloot de zee me nogmaals te vergasten op een torenhoge golf. Ik spoelde bijna van dek!
Brr. Dat was een koude toestand, maar ik had het weer eens gered en was niet overboord geslagen. De voorzienigheid heeft het steeds goed met me voor gehad, zoals in mijn verdere loopbaan ook wel duidelijk werd.

We gingen weer verder, op het job af, maar na een paar dagen werd duidelijk dat we niet meer nodig waren. Het weer was nog steeds erg slecht, zodat we een beetje heen en weer bleven steken. Het rond gaan was dan spectaculair, waarbij grote rollers over het schip heen gingen. Bij het eten moest je wel je bord in de hand houden, want je kon niets neerzetten of het eindigde in no time aan de andere kant van de tafel en bij je buurman op schoot. Alleen de borrels konden in hun houders blijven staan, maar de glaasjes waren niet meer zo vol als anders bij de schoot-an, dus namen we er maar één extra.
Na een paar dagen werden we naar Åndalsnes in Noorwegen gedirigeerd voor het slepen van de eerste Doris-tank, een enorm gevaarte waarop een olieplatform moest
komen te staan van ongekende grootte. Het was een dermate groot gebeuren, dat er journalisten van de TeleVizier aan boord kwamen om het gebeuren te verslaan en ik mocht het ook meemaken vanaf de sleepboot Rode Zee, waarop ik was overgeplaatst. Ik had het voor geen goud willen missen, want ik werd ook bij het sleepklaarmaken betrokken en moest daarvoor bovenop dat gevaarte klimmen. Nu is hoogte niet mijn sterkste punt, maar dit was zo bijzonder dat ik het niet kon laten schieten. De betonnen bak was wel 90 meter diep aan de binnenkant en er waren wel mensen naar beneden gevallen, zo werd me verteld, en die lagen nu in het beton. Ik kon me er wel wat bij voorstellen, want ook wij moesten op grote hoogte over houten plankjes lopen om van de ene naar de andere kant te komen, slechts van de diepte gescheiden door een touw of een stuk betonijzer. Maar je bent jong en dan kijk je niet zo nauw.
Het hele verhaal uit de TeleVizier kun je lezen, gelardeerd met foto's, op de volgende pagina, dus als je nog tijd hebt klik dat HIER of hiernaast.